Omhoog


Kom maar, met al je blauwe plekken
en jouw: "ik moet alles goed"
trek maar een lijn tot waar
ik mag en één tot waar ik moet

Ik zal niet vragen naar hoe lang

ik weet dat is verkeerd

want vliegen kun je echt alleen
als je eerst vliegen leert

ik droom voor jou gewoon een trap
en tel je dichterbij
denk, zoveel treden moet ze nog
en dan is ze bij mij.

Wolken

 

Je ziet ze gaan verdwaasd en moe

ze drijven het geheugen uit

en voeren verder dan je dacht

 

een mensenmassa gaat voorbij

daar hangt een reus een vogelspin

de lucht beweegt haast uit zichzelf

en jij beweegt er middenin

 

je werpt jouw blikken hemelhoog

en ziet jezelf even terug

de zon is groen je bent een kind

je stoot je hoofd tegen de wind.

 

Van dingen die niet horen

 

ik zag een vrouw die met haar hand

de poorten van de hemelboog

het vacuüm naar binnen zoog

en op de stilte kauwde

 

onaantastbaar stond ze daar

zo erg in evenwicht

met al haar knopen dicht

en met de lippen op elkaar

 

ik had met mijn vingers

langs een rimpel bij haar ogen

over de neusbrug willen lopen

opdat zij zich bedacht en ik haar

 

bij de mond kon nemen

zoekend naar een vergezicht

en alle dingen die niet horen

zomaar naakt in een gedicht.

 

Knapperbrood en paarden

 

we vulden onze magen

ik at haar blauwe ogen op

met knapperbrood en paarden

draaiden vrolijk in het rond.

 

we weken van de wereld af

en zwegen al die tijd, ze legde

net toen ik iets zeggen wou

een vinger op mijn mond.

 

buiten goot de late zon

wat licht over een dorre stad

alsof hij het vermoeden kon

alsof hij het begrepen had.

 

Over schrijven

 

een man stapt in mijn hoofd

ik draag zijn naam de wereld op

en zie hem kleiner worden

hij kruipt dicht onder mijn huid

 

Langs de beentjes van mijn hand

glijdt hij omlaag en lager tot

de halve maan van nagels

waarin het licht wordt opgevat

 

hij trekt de toppen over

ik schrijf zijn lichaam af ik zie

hij schijnt nog lichter dan daarvoor

hij schijnt tussen mijn vingers door

 

ik leg mijn hand op tafel

hij rust zacht op het papier

ik druk mijn oor tegen het blad

hoor het in alle nerven kraken.

 

67 knopen

 

mijn vader waaide langs

hij kwam vanuit het noorden

haakte aan mijn dromen

en ging over in de wind

 

nog voor de nacht ten einde was

zag ik hem verder zweven

en de dag die helder werd

vertoonde taal noch teken

 

ik kroop tussen mijn slapen

steeds dieper in mijn wezen

en wist ineens hoe naakt ik was

ik liet de stilte beven.

 

Ontsluiten

 

ze strijkt de plooien rond mijn hart

voegt het naar haar handen

ik buig over het kussen heen

leg de maan op haar kant

 

en kruip diep in de moedermond

een gapende wond waarin ik verdwijn

op weg naar de zon en het eerste licht

dat als een vergezicht tussen haar slapen hangt.

 

Ontluiken

 

die middag ging de zomer open

en de wind stond zacht ik zag

de nerven van een schouderblad

en trage witte wolken

 

we speelden en we speelden wat

iets draaide rond en in ons om

jij zei hoe groen de stilte was

en dat de bomen bogen

 

in een helder ogenblik zag ik

jouw mond zo vol en rond

jouw natte mond en vingervlug

gleed ik over een heuvelrug

 

we lachten en we dropen af

een late zon ontsprong ik zag

de zomer die daar open lag

het gonsde door mij heen.

 

Je lijkt nog op mijn vader

 

ik heb je als een kind gekend

je bent zo mooi en mooier nog

hier lig je dan, ik dek je toe

nu jouw gedachten slapen

 

ik voel jouw lippen en de kus

de indruk die je achterliet

je draagt je kreukelige pak

onder gesteven lakens

 

en bent zo mooi en mooier nog

ik heb je als een kind gekend

ik zie geen wezenlijk verschil

er klopt alleen iets niet.

 

Inzicht

 

ik sla haar gade door het raam

ze kamt haar laatste haren uit

en sluit de avond met een lach

het beeld raakt even uit balans

 

monotoon beweegt haar hand

ze maakt zich op voor het vertrek

licht blijft op haar schouders liggen

het glijdt langzaam van haar af

 

buiten de muren zwenkt de nacht

hij klopt tegen het vensterglas

ik bid dat ze dicht bij mij blijft

zij knielt en tikt terug naar God.

 

Juultje

 

Ze stapelt wolken op elkaar

tekent bloemen in mijn haar

vouwt een glimlach van papier

en drukt hem op mijn wang

 

dan schatert ze en al het licht

breekt uit de zon die openspat

we rekken alle kleuren uit

regenbogenlang.

 

Als alles ging zoals het moest

 

en jij zwom naar de overkant

het water aan de lippen

want de zee stond je te wijd

 

er gleden vissen onderlangs

en het besef kwam later pas

ze haakten aan jouw vlinderslag

 

er werd iets uitgedreven

je ogen schenen helder

maar je zag niet wat het was

je vloeide naast de tijd.

 

Uitzicht

 

de avond trok voorbij

een laatste seconde sloeg over

hoog op de wind gleed de maan

en joeg alle tijd voor zich uit

 

lippen beroerden de lucht

er bleven indrukken achter

mijn vader in de nacht bewoog

wij bogen naar elkander.

 

Vader

 

Hij draagt haar lichaam zwaar

torst een aarzelend licht

nu en dan opent hij een luik

om de ochtend in te halen

 

dan plukt hij handenvol minuten

rekt ze uit tot lang verloren uren

met een liefdevolle blik legt

hij een glimlach op haar gezicht

 

hij verzamelt afgelopen dagen

en in transparante lagen

bedekt hij haar stille lijden

onder zijn verleden tijd.

 

Meisje van mij

 

er hing een meisje aan mijn lippen

ik vroeg of ze me proefde

likte mijn woorden over haar tong

voelde weerzin in haar mond

 

ik was tot achter haar wangen gekropen

vroeg me af wat daarvan moest komen

stak mijn vingers in haar keel

en heb haar de adem benomen

 

ik ben blijven dwalen in haar hoofd

toen ik vroeg wat zij eigenlijk wilde

sloeg ze nagels in mijn huid

en trok me zo mijn lichaam uit

 

ze legde me bloot tot ik rilde.

 

Van het meisje en de loverboy

 

dat ze

zo mooi

en bijzonder

 

en dat hij

haar

hemelhoog

zou dragen

 

en dat Achmed

zijn allerbeste

vriend

 

en dat hij later

toen zij alleen

gelaten

zweeg

 

zijn dertig

zilverlingen

kwam halen.

 

 

Dag

 

Daar hangt de hemel

een zomertuin van parelmist

met een torentrap

daar gaat ze slapen

 

want het geurt er naar vroeger

lavendel en tijm

en het zonlicht verstrijkt er

in water

 

ze zwijgt het is tijd

voor een laatste vaarwel

ze zwijgt het is tijd en

daar gaat ze.

 

Ontij

 

 We keerden naar binnen terug

het einde was dichter gekomen

we zagen minuten verspringen

een klok sloeg gaten in de wand

 

en vanuit het dak stroomde water

langs een overlopen muur

we dachten aan God en het uur

waarop de dood ons overkwam

 

de wereld ging buiten ons om

we konden het niet meer verklaren

want de aarde droeg sluiers van mist 

alsof wij al opgeheven waren.

 

Geleidelijk

 

Ze holt weer door mijn ribbenkast

en leeft de binnenzijde uit

tussen slapen leg ik vast

haar ogen ogen moe

 

nu de koorts heel hevig is

lijkt haar lichaam uitvergroot

valt het licht een beetje dood

ijl ik naar haar toe.

 

Al wat rest

 

 Mijn moeder zet een keel op

vanuit de urnen vaas

zingt zij de sterren van de hemel

haar as is licht vandaag

 

ik neem haar leven in mijn hand

vol stof en vingersporen

en blaas het stilaan uit 

het kind van binnen laat zich gaan

 

zij dwarrelt en hoopt op

landt vlak voor mijn voeten

ik maak taartjes van het zand

wij blijven over van elkaar.

 

 


© 2012 Alle rechten voorbehouden.

Maak een gratis websiteWebnode